De wonderstraal by Jules Verne

De wonderstraal by Jules Verne

Author:Jules Verne [Verne, Jules]
Language: eng
Format: epub
Publisher: ManyBooks.net
Published: 2010-11-03T06:29:40.582000+00:00


* * *

IV.

Die morgen kwam. Maar, o God! welken nacht heb ik in de herberg van Hérissart doorgebracht!

Een enkele kamer voor acht personen! Ellendige stroozakken die voor bedden moesten dienen, waarin een meer wild opleverende jacht te houden zou zijn geweest, dan op de privatieve jachtterreinen van de gemeente. Walgelijk ongedierte, dat broederlijk met de honden gedeeld werd, die dicht bij de bedden sliepen en den houten vloer deden dreunen door hun gekrab!

En ik, die in mijn eenvoudigheid aan de waardin, een oude Picardische vrouw, met vuil, slordig, kroezelig haar op het hoofd, gevraagd had of er geen vlooien op haar slaapzaal waren!

»Vlooien!" had zij geantwoord. »Neen, waarachtig niet!.... Als die er waren, zouden de weegluizen ze opeten!"

Ontsteld door dat antwoord, had ik besloten, den nacht door te brengen op een kreupelen stoel, die bij iedere beweging ellendig piepte en kraakte. Ik had dan ook een gevoel alsof ik gekookt was, toen de dag aanbrak.

Natuurlijk was ik de eerste op. Brétignot, Matifat, Pontcloué, Duvauchelle en al de anderen snorkten nog. Evenals al de onervaren jagers, die vóór den dageraad op weg willen gaan, was ik ongeduldig om, zonder zelfs ontbeten te hebben, in de vlakte op het jachtveld te komen. Maar de meesters in de kunst--die ik eerbiedig den een na den anderen wakker maakte,--brachten mij tot bedaren en lachten mijn ongeduld van een eerstbeginnende uit. Zij wisten, die slimmerds, dat bij het aanbreken van den dag de patrijs, wier vleugels nog nat van den dauw zijn, zeer moeilijk te naderen is, en dat, wanneer zij opvliegt, zij ongaarne weer neerkomt.

Men moest wachten, totdat de zon al de dauwdroppels opgedroogd, »al de dageraadstranen opgedronken had," zeiden de jagers.

Eindelijk, na een voorloopig ontbijt en na de onvermijdelijke teug op de valreep, verliet men de herberg, terwijl een ieder zich de kuiten krabde. Toen begaf men zich naar de vlakte, waar de privatieve jachtterreinen begonnen.

Toen wij den rand daarvan bereikt hadden, riep Brétignot mij een oogenblik alleen en zei:

»Draag je geweer nu goed, zoo schuins vooroverhellend met den loop naar den grond gekeerd en doe je best om niemand te dooden."

»Ja, ik zal mijn best doen," antwoordde ik, zonder mij door deze belofte te willen verbinden. »Maar tot wederdienst bereid, niet waar, waarde vriend?"

Brétignot haalde minachtend de schouders op.

Eindelijk waren wij op jacht--een geheel vrije jacht.--Ieder deed zooals hij goed vond.

Het was een vrij leelijk land, het land van Hérissart, nog leelijker dan de naam aanduidt. Het was daarenboven niet zoo wildrijk als wel beweerd werd. Men had er wel haas gezien, beweerde Matifat. En Pontcloué voegde er bij, dat men er het haas, meer dan twaalf op het dozijn, met den buik op den grond had zien liggen.

Met het uitzicht op zoo'n heerlijke jacht, waren alle heeren goed gemutst.

Men stapte steeds voorwaarts. Het was een prachtig weer. Eenige zonnestralen drongen door de morgennevels, wier rolvormige massa's zich bij den gezichteinder ophoopten. Geschreeuw, gepiep, geklok werd overal gehoord. Er waren vogels, die loodrecht uit de akkervoren opgingen en in de lucht verdwenen, evenals raketballen, die door een plotseling ontspannen veer worden voortgedreven.



Download



Copyright Disclaimer:
This site does not store any files on its server. We only index and link to content provided by other sites. Please contact the content providers to delete copyright contents if any and email us, we'll remove relevant links or contents immediately.